Pas op voor je schenen

Hallo lieve lezers,

Wat gebeurt er toch veel als je (bijna) elke dag wandelt. Soms weet ik ’s avonds niet meer waar we ’s ochtends waren. Dan vraagt men ‘waar komen jullie vandaan?’ en dan moeten we moeilijk lang nadenken.

Goed, leuk dat jullie er weer zijn hoor! Mijn vorige schrijfsel is erg goed gelezen, dank daarvoor. Vandaag wil ik nog een stapje verder gaan. Ik ben benieuwd of jullie het volhouden. Het stille meisje, dat was ik. Nu weet ik hoe dat komt: ik had gewoon niet zoveel te vertellen dat ik het vermelden waard vond. Stil ben ik nog steeds, schrijven maakt immers niet zoveel lawaai.

Ga er maar eens even lekker voor zitten. Of staan. Wat je wilt. Het is aan jou.

Den Bosch

We kopen twee kilo kersen vlak voor we de bebouwde kom van Den Bosch inlopen. We zijn op weg naar Anne en Aike. Over een viaduct, nog maar vijf kilometer. Ik zit net lekker in een Philosophize This podcast over Aristoteles. En dan in ene doemt daar het gezicht van Hagen voor mij op. Niet als illusie, maar echt! Zomaar, midden op het viaduct zien we daar twee bekende gezichten. Die van Hagen en die van Daan. Wat je niet verwacht, herken je niet meteen. Via de blogs en via Anne hebben ze ons getraceerd. De auto staat een stukje verderop, in de berm.

Daar gaan we maar even zitten, in het gras. Het is niet bepaald een proper plekje, eerder vies en morsig. We eten kersen en spugen pitten alle kanten op. Gespreksonderwerpen: eiwitten, aminozuren, crypto currencies en vuurtjes. Hagen en Daan, ze gaan niet mee naar Anne en Aike. Ze moeten weer weg. Ze kwamen ons alleen even opwachten. Dankjulliewel voor jullie bezoek.

Anne en Aike zijn nog aan het grasmaaien, bij hun ouders. Ze zijn nog niet thuis. Hongerige mensen zijn zwakke mensen. Zo komt het dat we weer in de snackbar belanden, op de hoek van de straat, op steenworp afstand van Anne en Aike. Net als twee weken geleden. Net als toen, drijven ook nu onze frietjes in een dikke laag smurrie van curry met uitjes. Net als toen neem ik me ook nu voor om geen curry meer te nemen bij mijn frietjes. Of nog beter, misschien moet ik maar stoppen met frietjes eten?

De friet is vakkundig en efficient verorberd. Onze vegan vrienden zijn thuis, we bellen aan nét voordat ze in bad gaan. We krijgen stroopwafels in onze handen geduwd, instructies om thee te zetten en het ons gemakkelijk te maken. Daarna wisselen we: Folkert en ik gaan in bad, Anne doet al onze kleding in de wasmachine en daarna gaan we eten. We kijken de film Okja, er wordt nog een frietje gehaald. Tweemaaldaags friet, hiep hoi! Nog meer stroopwafels. Chips. Moe, misselijk en voldaan gaan we naar bed. En ook een beetje verdrietig, door Okja.

Maandag blijven we nog een dagje hangen. We zoeken twee warme slaapzakken uit, Folkert schaft een nieuwe rugtas aan. We delen een magnum-achtig ijsje. Smullen!  Het ligt niet zwaar op de maag, er zit evengoed chocolade omheen en het allerbeste is: er heeft geen enkel dier hoeven te lijden voor onze smaak. ’s Avonds eten we lasagne. De dag eindigt vroeg, we zijn een beetje moe vandaag.

Allememaggies

Anne komt terug uit haar nachtdienst, Aike gaat naar zijn werk en wij gaan weer een dag wandelen. Schone kleren, nieuwe tas, volle maag. Voor we Den Bosch uit zijn worden we aangesproken door twee jongemannen die met ons een gesprek willen voeren over het christendom. Wij als vegangelisten hebben zo onze eigen agenda en willen graag met ze in gesprek. Ze verkondigen liefde. Folkert en ik, wij zijn ook voor liefde. Maar wij zouden het liefst zien dat deze liefde zich verspreid, tot ver voorbij het menselijk ras. De mens is niet de kroon op de schepping. Wij zijn slechts een miniem onderdeeltje van het eindeloze geheel. Wij zijn ook maar noodzakelijkerwijs voortgevloeid uit een eindeloze keten van voorouders. We achten onszelf te hoog. En kijk eens wat het ons brengt? Zeker niet alleen maar goeie dingen.

De jongen die het woord voert, laten we hem Anzi noemen, zegt dat niemand meer lief kan hebben dan Jezus. Niemand. Jezus werd aan het kruis genageld, en nog steeds had hij lief. Zelfs degene die hem aan het kruis hing, zelfs degenen die hem verraadden! Kunnen wij mensen ooit zo goed zijn? Zou ik liefde kunnen voelen voor de mens die Folkert zou vermoorden? Nee toch? NEE TOCH?!

Ik ben niet erg goed in discussies voeren. Waarschijnlijk heb ik niet genoeg oefening gehad. Vaak vind ik ook dat mijn mening niet tentoongesteld hoeft te worden. Er zijn al zoveel meningen, wat mij betreft hou je die lekker bij je. (Dat is toch ook een mening, hypocriet dat je bent!)

Weet je wat mijn probleem met meningen is: ze zijn te grillig, te persoonsgebonden. Ze hebben vaak  weinig te maken met een ‘objectieve’ waarheid. Bovendien is de wereld complex. Een mening is een incomplete weergave van zaken als je het mij vraagt. Gebaseerd op wat jou als persoon het beste uitkomt, vaak. Vandaar dat ik me liever niet teveel inlaat met meningen. Laat staan dat ik er zelf een vorm. Ik weet inmiddels dat ik niet zoveel weet.

Maar is het Jezus-standpunt van Anzi dan ook een mening? Hijzelf ziet het vast niet zo. In ieder geval, ik vind het maar makkelijk gedacht. Gemakkelijk om te zeggen dat er niemand zo goed kan zijn als Jezus (behalve God zeker). Wat is dan uberhaupt het streven? Moet je ernaar streven om net zo heilig als Jezus te worden, of kun je het maar beter gelijk opgeven?

De koeien

Het landschap is niet zo boeiend. Veel veeteelt. Boerderijen. Weilanden, sommige met koeien. Of stieren. Soms ook paarden. Schapen. We blijven even staan bij een veld met koeien. Bijna altijd komen de dieren naar ons toe. Nu ook, met z’n allen komen ze onze kant op geslenterd. Folkert is al druk bezig met gras plukken. We bieden onze excuses aan. ‘Sorry, vrienden,’ zeggen we. Ik ga verder: ‘Sorry dat we zo onnadenkend waren. Dat we jullie pijn hebben gedaan. We zullen het niet meer doen. Sterker nog, we zijn voorvechters geworden. We proberen het goed te maken. Maar weten jullie, culturele indoctrinatie is een krachtig iets. Net als het reduceren van cognitieve dissonantie. (Als je niet weet waar ik het over heb, daag ik je uit op de link te klikken en het artikel te lezen.) Daarom heeft het ook zo lang geduurd voor wij er achter kwamen waar we ons schuldig aan maakten. Daarom duurt het ook zo lang om onze medemensen wakker te maken. Je weet niet wat je niet weet. En je weet ook niet wat je niet wilt weten. We zijn bezig.’

De koeien, ze kijken naar ons. Allemaal. De koe die het meest dichtbij staat, krijgt nog wat gras van Folkert. ‘Jullie persoonlijk hebben hier niets aan. Jullie krijgen vroeg of laat toch nog een pin door je hoofd. Ik heb gezien hoe dat gaat. Het was op de televisie. Het was niet eens in het echt. Ik kon het niet ruiken. Ik kon jullie geschreeuw niet op volle sterkte horen. Het was een eendimensionaal beeld. Ik wilde niet kijken, maar het moest. Ik wist niet waar ik aan begon toen ik de documentaire aanzette. Maar toen ik eenmaal doorhad wat ik aan had gezet, was ik verplicht te zien waar ik aan mee had gedaan. Anderhalf uur lang heb ik gezien hoe jullie – onze mede aardbewoners – gemarteld werden. Oh, wat heb ik mij geschaamd. Wat deed het pijn om dat te zien. En ook dat riep weer schaamte op. Want mijn pijn is niets vergeleken bij jullie pijn.’

‘Weten jullie waar ik het over heb? Of is dat nog jullie geluk, dat je op dit moment van niets weet? Maar misschien zijn jullie evengoed wel bedroefd. Dat je je zoon niet bij je mocht houden, dat ze die bij je weghaalden, dat-ie is vermaald tot goedkoop hamburgervlees. Omdat wij menen dat we recht hebben op de melk die je zoon toebehoort. Sorry, meisjes.’ De koeien, ze kijken nog steeds. Ze luisteren, maar verstaan is iets anders. Ik kan ze niet zo makkelijk aanraken, ze willen niet te dicht bij het prikkel schrikdraad komen. Evengoed, ze lijken geboeid te luisteren naar mijn monoloog vol met excuses. Ze hebben van die mooie bruine koeienogen. En massieve, grote indrukwekkende lijven. Waarschijnlijk zijn ze nooit boos geweest op mij. Onze lieve vegan vrienden. Die het liefst de hele dag grazen, met hun zoon of dochter aan hun zijde, melk sabbelend uit de uiers. Totdat ze groot genoeg zijn en ook gras gaan eten.

Wij zijn de enige dieren op aarde die menen dat we de melk van een ander dier nodig hebben. Goor en niet nodig, vind ik nu. Verdorie, wéér een mening. Of zullen we dit een feit noemen?

De Pelgrimshoeve

In Vessem staat de Pelgrimshoeve, beginpunt voor veel pelgrims. We arriveren onaangekondigd. Dat reserveren wel eens gewenst zou kunnen zijn, is niet in ons opgekomen. De twee gastvrouwen ontvangen ons hartelijk. We krijgen koffie. En een koekje, dat we afslaan. ‘Ik associeer koekjes niet eens met dieren,’ zegt Helmi, als we uitleggen dat we het niet voor de slanke lijn doen.

Als we mee willen eten vanavond, hoeft alleen de vis weggelaten te worden. We voeren interessante gesprekken. Over activisme, veganisme, de camino (we krijgen talloze tips). Of de wereld veranderd kan worden of al gedoemd is tot de ondergang. ‘Ik maak me geen illusies,’ zegt Helmi heel stellig. ‘Absoluut niet!’ Ze ziet het somber in. Van zo’n gedachte, zo’n instelling, daar word ik dan weer erg somber van. Dan hebben we nog Lilian, die zich niet laat kisten. Ze protesteert en demonstreert voor van alles en nog wat. Tegenwoordig is ze wat meer gematigd, lang niet meer zo activistisch en uitdragend als ze ooit was. Folkert bedankt haar voor haar inzet. Hij zegt dat hij graag haar werk voortzet. Helmi houdt zich op de achtergrond. Later lijkt het of ze ons uit de weg gaat en niet wilt horen waar we het over hebben. Misschien vindt ze het te vermoeiend. ‘De jeugd en hun idealen, jahoor. Zij weten het weer beter,’ kan ik Helmi bijna horen denken. Misschien zit ik er naast, ze komt mij zwaarmoedig over, als iemand die snel beren op de weg ziet. Ze zegt dat we het moeilijk gaan krijgen in Spanje. Als plantaardige eters.

Folkert en Lilian

Vlak voor het eten is daar broeder Fons. Een man met felblauwe heldere ogen. Hij komt tegenover me aan tafel zitten. Ik vertel hem dat we ons huis van de hand hebben gedaan en dat dit de start is van ons nieuwe leven. Een leven met minder aardse bezittingen en meer compassie voor het geheel. ‘We kwamen erachter dat we zombies aan het worden waren, lui en hebberig en dik en ziek,’ zeg ik. Broeder Fons, hij lijkt het allemaal prachtig te vinden. Folkert is wakker van zijn tukje en schuift bij ons aan tafel. ‘Jullie zijn er vroeg bij,’ zegt Fons. ‘Ik werd pas op mijn achtenvijftigste wakker. Jullie gaan een prachtige wandeling tegemoet als jullie nu al tot hier zijn gekomen!’ En dan zegt Fons woorden die magisch klinken in de oren van Folkert: ‘Je moet helemaal niets.’ Hiermee geeft broeder Fons zijn zegen aan Folkert. Hij zegt dat Folkert vrij mag zijn in zijn denken en in zijn handelen. Hij hoeft zich niet voor te laten schrijven wat hij moet doen, te leven naar maatstaven van anderen. Maak de wereld mooier dan deze is. ‘Vinden jullie het goed als ik jullie straks wegzend?’ vraagt Fons. Want daarvoor kwam hij hier. Welzeker, Fons mag ons wegzenden. Dan komt Helmi ons halen voor het eten, dat staat al een tijdje op ons te wachten. We spreken met Fons af over een uur en gaan naar buiten, waar de tafel gedekt staat. Helmi heeft heerlijk gekookt.

De wegzendceremonie bestaat uit een gedichtje, wat mooie woordjes, een paar minuten stilte terwijl we in de vlammen staren en handengeschud van alle vier de mensen die ook bij de ceremonie aanwezig zijn. We krijgen een kaars, een schelp en een stempel. Daarna gaan we koffie drinken en geen koekje eten. Wie had ooit gedacht dat we zo weerbaar zouden worden tegen alle zoete verleidingen?!

Vrienden maken

Dit is de dag dat we de grens bereiken. De Belgisch-Nederlandse grens. De hele dag komen we geen supermarkt tegen. We moeten het doen met wat we hebben. Dat is niet zo veel maar zeker niet weinig. Toch vind ik het vervelend. Stel je voor dat ons eten opraakt en dat we dan niets meer hebben?! En dat ik die angst heb vind ik ook weer vervelend. En verspilde moeite is het ook. Er is immers nog voorraad genoeg, we hoeven niet op rantsoen en bovendien: van even zonder eten word je echt niet ziek of zwak. Daarnaast heeft Folkert een bramenobsessie ontwikkeld. Hoe zuidelijker we komen, hoe talrijker de bramen lijkt het wel. We hebben al een bak met drie liter bramen gevuld. ‘Om vrienden mee te maken op de camping,’ zegt Folkert. ‘Ik ga straks gezondheid uitdelen!’

Brabantse flora

Op de camping, nog nét in Nederland, zetten we onze tent op, helemaal achteraan. Het is etenstijd en iedereen zit voor de caravan. De camping bestaat uit twee straatjes, met daaraan netjes op een rijtje de caravans. Het is zo keurig en burgerlijk dat ik er akelig van word. Het wc-gebouw is aan de andere kant van de campingstraat. Elke keer als ik daar heen loop, moet ik langs al die mensen die voor hun voortent zitten te loeren naar alles wat voorbij komt. Moet ik elke keer als ik voorbij kom gedag zeggen? Recht vooruit kijken alsof ze er niet zijn? Of onderdanig met mijn blik op mijn voeten gericht? En dan weer terug lopen. Ongemakkelijk. Ik combineer vooral de eerste twee tactieken.

Voor je het weet beland je in een gesprek als dit:

– ‘Ben je op vakantie?’
Ik: ‘Wat zegt u?’
– ‘Ben je hier op vakantie?’
Ik: ‘Oh. Ja. Op doortocht. Met een tentje.’
– ‘Ik sta hier tot eind oktober. Maar vandaag moeten we naar huis. We moeten naar een verjaardag. Volgende week komen we weer terug.’

‘Leuk,’ zeg ik dan maar. Bij gebrek aan motivatie om een echt gesprek met deze meneer op te starten. In zulke gesprekken verander ik in één keer in een lijdend voorwerp. Oude angsten duiken op, dat ik gevangen zit in een monoloog, waarbij ik doe of ik luister en de ander maar doorpraat. En dat ik dan niet weet wat ik moet zeggen en alleen maar weg wil, weg weg weg. Met een licht gevoel van schuld en ongemak beeindig ik het gesprek voor het echt uit de hand loopt. Wie ben ik eigenlijk dat ik deze meneer zijn monoloog zo rap afkap? Bovendien, van monologen kun je een echt gesprek maken toch? Niet nu. Ik wens deze meneer een fijne avond en loop snel verder.

Folkert heeft al een rondje met de bramen gemaakt. De eerste stap van de wederkerigheid is gezet. De volgende twee ochtenden krijgen we naast gezellige kletspraatjes ook koffie aangeboden. Folkert de extraverte, Irene de introverte. Folkert is mijn toegangspoort tot de buitenwereld. Een verdeling die mij doorgaans uitstekend bevalt.

We blijven nog een tweede dag op deze camping. Vandaag gaat al ons eten op. Ik maak een salade met alles wat we hebben: komkommer, haver, tomaat, lijnzaad, zonnebloempitten, courgette, knoflook, gember, ui en grapefruit. Hier moeten we voorlopig op teren.

Jos (spreek uit als Zjos)

We stappen de camping af en zijn gelijk in Belgie. Een tijd later sta ik daar pas bij stil. ‘Hé Folkert!’ roep ik, ‘we zijn zomaar Belgie binnengelopen, zonder er een momentje van te maken!’ Hij haalt zijn schouders op en loopt door.

Vandaag zijn we zonder ontbijt op weg gegaan. De voorraad is op. Onderweg eten we bramen en drinken we water. Na twintig kilometer komen we aan bij een nederzetting met kappers en snackbars en tankstations en meer van dat. Als eerste stuiten we op een fruitwinkel. We zijn in het paradijs beland. We gaan voor mineola’s, blauwe bessen, een kilo pruimen, honingmeloen, watermeloen, twee komkommers en een courgette, bleekselderij en broccoli. ‘Zal je net zien dat daar bij die kerk een prachtig bankje staat,’ zeg ik tegen Folkert. En jawel, het bankje staat er. We vallen aan op de bessen, mineola’s, meloen en pruimen. Het loopt al tegen de avond, het is tijd om een slaapplek te zoeken. Eerst nog langs de supermarkt, voor havermout. En koekjes en chocolade en kikkererwten. Gehurkt naast de supermarkt besluiten we nog twaalf kilometer door te lopen, tot aan Hulsen, waar we wel kunnen overnachten. Er komt een jongeman op ons af gefietst. Hij heeft geen schoenen aan.

‘Kan ik jullie helpen?’ vraagt hij. ‘We zoeken een slaapplek,’ zeggen we tegelijkertijd.

‘Ach,’ zegt de jongeman. ‘Ik heb maar een klein studiootje, dat past echt niet. Die kant op is een camping.’ Hij wijst in de richting waar we vandaan komen. ‘Jullie kunnen ook de bus pakken.’ We leggen hem uit dat we lopen. We bedanken hem voor zijn hulp. ‘Als jullie willen, mag je wel even bij mij thuis douchen,’ biedt hij nog aan. Het aanbod slaan we af. Ik vraag hem of hij een koekje wilt. Nee, hij is aan het vasten. Hij wenst ons succes en fietst weg. We hijsen de tas op onze rug, een paar kilo zwaarder nu we weer eten hebben. Hup, nog twaalf kilometer. Ik zet Bob Dylan aan. Blood on the tracks. Met het voornemen om eens heel goed te luisteren naar de teksten.

Iets later is de jongeman daar weer op zijn fiets. ‘Jullie gaan de verkeerde kant op,’ meldt hij ons. Hij heeft schoenen aangetrokken. ‘Zal ik een stukje met jullie meelopen anders? Ik maak me een beetje zorgen!’ We leggen hem uit dat de camping die hij bedoelt wel dichtbij is, maar helemaal uit de richting. Folkert geeft de jongeman een schouderklopje. Hij verzekert hem dat zijn zorgen overbodig zijn. Maar wel lief hoor. ‘Kunnen jullie echt niet de bus pakken?’ probeert hij nog.

Rond negen uur komen we aan in Hulsen. Hier staat een gigantische kerk. Wat een bofkont, die God, denk ik voor de zoveelste keer. Iemand die het universum heeft veroorzaakt verdiend natuurlijk ook niet minder dan de grootste gebouwen.

We hadden hier een abdij verwacht, met vriendelijke gastvrije monniken. Niet goed gelezen. Er is niemand thuis. Het begint te regenen. We schuilen in een portiek naast de kerk. Achter in ons routeboekje vinden we een telefoonnummer van een Pelgrim voor een Pelgrim. Folkert belt, krijgt een man aan de lijn, hij legt de situatie uit en amper vijf minuten later staat er een auto voor onze neus. Jos! (Zjos dus.) We stappen in de auto, met gewetensbezwaren, dat wel. Dit is niet het moment om aan principes vast te blijven houden. Beleefdheid en dankbaarheid gaan voor. Gelukkig is het maar een paar honderd meter.

De ontmoeting met Jos is wonderlijk. Het is een lieve en zonnige man. Hij biedt aan om een pizza in de oven te schuiven. Ik vraag hem of ik een broccoli mag koken. Hij komt met wat aardappels uit eigen tuin. Met de bleekselderij en wat kruiden wordt het een feestmaal. Jos warmt een smakelijk soepje voor ons op. Sjongejonge! Wat een maaltijd, om half elf. Wat een geluk! Hij regelt pantoffels voor ons, hij vreest voor onze voeten op de koude tegelvloer.

Hij vertelt over de ziekte van zijn vrouw. Ze slaapt al. Helaas, we krijgen haar niet te ontmoeten. Jos heeft een moestuin. Morgen gaan we even kijken, we mogen wat dingetjes meenemen voor onderweg. We kunnen ze eerst nog even koken. Jullie hoeven je morgen niet te haasten, zegt Jos. Doe rustig aan. Het is jammer dat het al zo snel laat aan het worden is. We gaan naar bed.

Patisson

De volgende ochtend, na het ontbijt, neemt Jos ons mee naar zijn moestuin. Hij geeft ons een patisson, een courgette-achtige groente. Ik oogst wat sperziebonen. Een bosje peterselie. Dan gaan we weer op weg. Soms wil je dat iets langer duurt. Maar misschien ligt juist de kracht wel in de beperkte duur en de onverwachtheid. Maar eerst nog even op de foto. Jos verzamelt foto’s van pelgrims die bij hem hebben gelogeerd.

Tot zover mijn zieleroerselen. Zijn jullie er nog of laat jullie cognitieve dissonantie dat niet toe? 😉

Liefs en peace out!

Houd me per mail op de hoogte
Facebook
Google+
http://watheefteenmensnodig.nl/2017/07/26/pas-op-voor-je-schenen/
Twitter

9 gedachten over “Pas op voor je schenen”

  1. Hoi hoi,
    Wat leuk Irene om jullie blog te lezen,volgen uitdaging.

    Dacht nog aan je pas en nu lees ik deze blog.Geweldig,Veel plezier samen.

    Lieve Groeten Anoesja.

  2. Zo, dat was weer een uitgebreid verslag. Maar je hebt het vermogen om zowel het triviale én het belangrijke te verwoorden. Na de avondmaaltijd (dit keer volledig vegan) kreeg ik het verhaal voorgelezen, terwijl ik in de late avondzon aan mijn koffie en een borrel nipte. Voorwaar, sprak het wezen, dit kan minder!
    Een groet van Jan

  3. Hoi Irene en Folkert, ik denk nog vaak aan onze geweldige tijd tijdens Amsterdam-Dakar. Je was (bent) inderdaad niet zo’n prater maar je schrijftalent is geweldig. Geef je blogs uit in boekvorm en ik koop het 1e gesigneerde exemplaar van je:) Groeten en veel loopplezier, Ruud

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *