We doen het nog

Hallo allemaal. Het is weer tijd voor een reisverslag. We zitten inmiddels op dag 78 en hebben meer dan 1336 kilometer in de benen zitten. Elke dag probeer ik wat op te schrijven in mijn schrijfboekje. Dat lukt niet altijd, want wandelen kost veel tijd en energie. En vaak hebben we andere dingen te doen, zoals slapen, lezen, woorden uitwisselen, met andere pelgrims vertoeven, enzovoort. Eerlijk gezegd ligt mijn prioriteit niet zo erg bij het bloggen. Aan het begin van de reis was het makkelijker, want toen hielden we meer rustdagen. Nu zijn we in zo’n topconditie dat het niet meer nodig is ;). Maarja, Folkert sleept toch maar mooi die laptop elke dag mee, dus ik ga wel iets beter mijn best doen om zo nu en dan iets te plaatsen.

Dit was ergens

Zoals jullie wellicht begrijpen is het maar een greep uit de talloze gebeurtenissen. We hebben al zoveel mensen ontmoet, bijzondere dingen meegemaakt, pijn geleden, ruzie gemaakt, dagen lang elkaar nauwelijks aangekeken of juist dagen lang hand in hand gelopen. Landschappen wisselen elkaar af: van dagen lang alleen maar saaie lelijke landbouw, tot eindeloze  wijnvelden en magische bossen. We hebben Roel ontmoet, hij is de man met de grote pukkelrugzak die loopt voor een weeshuis in Thailand. Tussen Epernay en Troyes hebben we met de Vlaamse jongeman Siel gewandeld. We hebben een korte ontmoeting gehad met Johan, een kankeronderzoeker. Hij is vanuit Leuven naar Santiago gerend, in tweeendertig dagen. Twee marathons per dag. Hij is gister aangekomen. We hebben al heel wat dagen met Carla gelopen, maaltijden en slaapzalen en wijn gedeeld. In Vezelay waren daar ineens Laura en Ewout, op vakantie in de buurt. In Bourges een ontmoeting met mijn vader en Jolanda, ze kwamen ons nieuwe schoenen brengen want het eerste paar is al versleten. We hebben op zoveel verschillende plekken geslapen, een stuk of vijfenzestig. Mijn lichaam is heel erg aan het veranderen, mijn vetpak is bijna volledig verdwenen, er is iets slanks en gespierds voor in de plaats gekomen en als ik in de spiegel kijk dan is daar bijna een sixpack zichtbaar. We verzamelen steeds meer stempels. Het is me allemaal wat, zo’n wandeling.

Ik zal wat episodes met jullie delen.

Dag 41, Hauteville

We zijn in Hauteville aangekomen. Folkert kan niet meer. Zegt hij. Ik heb de taak om Frans te leren op mij genomen. Dat betekent dan zeker ook dat ik telkens het woord moet voeren. Er is hier ergens een gemeenteherberg, vanmorgen heb ik gebeld om onze komst aan te kondigen. Ik ben vergeten het adres op te schrijven, ik dacht dat ik het wel zou onthouden. Ik bel nogmaals naar het telefoonnummer dat in ons routeboekje staat. Mevrouw Kanon neemt op. Ze zegt dat ze er aan komt. Maar ik heb haar helemaal niet verteld waar we zijn.

Folkertje

Folkert is aan het einde van al zijn krachten zo te zien. We bevinden ons voor het gemeentehuis. Links van ons is de kerk, aan de overkant. Folkert zit op de trap. We wachten. Weet mevrouw Kanon wel dat wij niet weten waar we moeten zijn? Weet ze dat we hier zijn? Moet ik een rondje lopen door het dorp, om te kijken of iemand ons zoekt? Moet ik nogmaals bellen? Maar hoe maak ik dan duidelijk wat ik duidelijk wil maken? Met mijn schamele Frans? Ik kijk achterom naar Folkert, hij ligt uitgesmeerd over de trap. Nog minder tot een zinnige gedachte in staat. Ik oefen wat Franse zinnetjes in mijn hoofd.

Aan de overkant komt een mevrouw naar buiten. Ze kijkt naar me. Heb ik haar net aan de lijn gehad? Hoe vraag ik dat? Spaans en Frans buitelen door elkaar. Talensoep in mijn hoofd. Ik loop naar haar toe want ze kijkt nog steeds. Met mijn hand naast mijn oor, duim en pink uit, de rest van mijn vingers ingeklapt, met een vragen gezicht erbij. Ik zeg haar dat ik geen Frans spreek. Ze vraagt of ik Spaans spreek. Maar plotseling is mijn hoofd compleet leeg en weet ik niets meer. Niets. Ze zegt iets en ik begrijp dat ze denkt dat ik een telefooncel zoek. Er is hier geen telefooncel, zegt ze met woorden in een taal. Merci¸ zeg ik want dat weet ik nog wel. Ik loop terug naar waar ik vandaan kwam.

Ik ga ook maar even zitten. Gewoon rustig wachten. Kijk, daar komt al iemand de hoek om. Doelbewust op ons afgestapt. Mevrouw Kanon, neem ik aan. Een grote hoeveelheid Frans wordt over ons uitgestort. We staan op en hijsen onze tassen op onze ruggen. We lopen met haar mee. In stilte. Er valt niets te zeggen. Ze zal wel begrijpen dat wij niets begrijpen. De lucht is betrokken, er klinkt een rommelende donder door de lucht.  Oehhh, zeg ik. Ze zegt woorden terug.

We komen aan bij een heel klein gebouwtje. Binnen staan twee bedden, en één ingeklapt bed. Een keukentje met een elektrisch pitje. Een magnetron. Een kast met een hangslot met cijfercode. Een prikbord met twee ansichtkaarten van Santiago. Punaises gerangschikt in de vorm van het getal negenenveertig. Er is al iemand. Paul. Hij vraagt of we Duits zijn. Hij wisselt wat woorden met mevrouw Kanon. Zij laat ons de badkamer zien, ze int onze vijf euro voor het slapen en dan gaat ze weer. Dat was de burgemeester, zegt Paul.

Dag 53, Troyes

Dag 57, Chablis

Vandaag hebben we achtendertig kilometer gelopen. Veel, maar echt niet onmogelijk. Het is de kunst om niet te veel eten mee te nemen. De tas moet zo licht mogelijk zijn. Karig eten is beter dan een te zware tas, dat weet ik nu.

Ik had gedacht dat het moeilijker zou zijn. En saaier. Acht uur lang lopen. De luchten waren verpletterend mooi vandaag. We bewogen ons voort door een heuvellandschap. Wat zien we zoal? Windmolens in de verte, nooit dichtbij. Stoppelvelden. Er is al veel geoogst. Dat laat veel bruine velden over. Het landschap is een lappendeken. Een deken met lichtbruin, roodbruin, geelbruin. Met soms wat lichtgroen en groengeel. Alles keurig in vlakken verdeeld. En daarboven de lucht. Blauw met driedimensionale wolken. Van wit tot grijs en dan het zonlicht dat er op schijnt en ze diepte geeft. Het zijn wolken waarin je gezichten kunt herkennen, meestal van onbekenden. Doordat alle bomen zijn gekapt voor de landbouw en het landschap licht heuvelachtig is, kunnen we kilometers alle kanten op kijken. We zien de regen in de verte uit de donkere wolken vallen.

Druiven zover als je kunt kijken

Net voor het donker wordt komen we aan in Chablis. De wandeling voor vandaag is voltooid. We zetten de tent op en gaan pizza eten en Chablis drinken. Zodra mijn benen mogen ophouden met zich voortbewegen begint de ellende. Nu pas voel ik de kilometers. Het voelt bijna alsof het beter is om door te blijven lopen. Voor altijd. ’s Nachts zingen mijn benen een klaaglijke jammerzang. Blijkbaar helpt het, want de volgende ochtend is er niets meer aan de been. Als nieuw kruip ik de tent uit.

Dag 58, Cravant

We bevinden ons in een restaurant, heel sjiek de friemel. In mijn nieuw verworven Frans leg ik uit dat we geen dierlijke producten wensen. Ze hebben hier zelfs een speciale kaart, zo eentje voor moeilijke eters. Glutenvrij, vegetarisch, lactosevrij. Geen veganistische kaart, maar met wat gehakkel weet ik toch de boodschap over te brengen.

We krijgen eerst een trekopwekkertje geserveerd. Een flintertje appel, een door midden gesneden olijf en radijs. En een half schijfje tomaat. Met een dressinkje. Culinair gerangschikt uiteraard. Folkert is geintimideerd. Hij durft niet eens op zijn telefoon. In plaats daarvan bekijkt hij de voorstelling. Ze serveren hier de hoofdgerechten met zo’n zilverkleurige afdekbol, zo’n omgekeerde schaal. Af en toe drijft er een vleugje van zijn voetengeur voorbij. Niet teveel met je voeten bewegen, Folkert.

Dag 64, Bourges

We verblijven in een verlaten jeugdherberg, net een stukje buiten het centrum van Bourges. We zijn hier de enige gasten: Carla, Folkert en ik. Gisteravond kwamen we hier aan, vierendertig kilometer hadden we er op zitten. De poort op slot, lichten uit, niemand te bekennen. We wilden net verder sjokken, toen de deur open ging. Pelgrims, dat zijn serieuze mensen, zei de directrice. Kom maar binnen!

Aan het einde van de dag heb ik vaak dezelfde gedachte in mijn hoofd: goh, ben ik helemaal komen lopen, denk ik dan. Als ik daar de eindbestemming van die dag voor me op zie doemen. Een hotel, een camping, een b&b, een herberg, een mooi verscholen veldje. Soms dient de eindbestemming zich heel plotseling aan. Dan is de wandeldag meteen teneinde. Zalig.

De immense kathedraal van Bourges

Dag 68, in de buurt van Chateauroux

We slapen langs een spoor dat in onbruik is geraakt. Folkert is binnen een paar minuten vertrokken. Ik lees nog even mijn meeslepende sprookjesverhaal. Ik luister naar de wind die hoog in de boomtoppen ruist. Het waait hard, maar hier op de grond niet. Het is een heerlijk geluid om naar te luisteren. Verder gebeurt er van alles om de tent heen. Geritsel en gekraak. Maar ik ga niet kijken. Ik lig heerlijk. Warm en veilig.

Dag 69, Velles

We worden laat wakker. Om elf uur zijn we pas gereed om te vertekken. De ene dag is de andere niet. Een kilometer kan niets wegen of me al mijn kracht kosten. Nou, vandaag heb ik het bijzonder moeilijk. Halverwege de dag komen we Carla weer tegen, in een stukje bos waar mannen elkaar ontmoeten. Samen lopen we verder.

We doen het rustig aan. Velles is niet zo ver weg meer. De gemeenteherberg aldaar is gevestigd in een oud schoolgebouw. Kleine wastafeltjes op een rijtje. Bedden in een zaal, deuken in de muur en scheuren in het behang. Het is een ruime verdieping. Een douche in de hoek van een grote ruimte. Met wiebelige, glazen schuifdeuren. Vol met kalk, je kunt er niet meer doorheen kijken. Het water is lekker warm. Alexander is er ook, een Braziliaanse meneer die we geregeld tegenkomen aangezien hij ook dezelfde kant op gaat. Hij kijkt televisie. Het is zo’n oude televisie die een zoemgeluid maakt. Je kunt het door de muren heen horen. De keuken is goed uitgerust, met pannen zelfs. Helaas is er geen supermarkt en ons eten is op. In de voorraadkast staan blikken met cassoulet, zoals dat heet. Het zijn complete maaltijden in blik, met een bijzonder lange en duistere ingredientenlijst, om lekker bij te griezelen.

Carla, Folkert en ik gaan naar het restaurant aan de andere kant van het plein. Het is tevens een bar en een soort van winkeltje voor tabak en de lotto. We worden aan alle kanten vriendelijk begroet. We krijgen het voor elkaar om een salade te bestellen. Zwijgend zitten we daar. We kijken uit over het pleintje. Het is half zes. Een stuk of tien mensen speelt een spelletje met metalen ballen. Het waait hard. De kastanjebomen bewegen met hun takken heen en weer. Ze raken al flink wat bladeren kwijt. De grond is bewaaid met kastanjes. Het raam staat open, er waaien bladeren naar binnen. Wolken sjezen haastig de lucht door. We kijken naar de herfst. De salade is oké. Folkert bestelt nog een tweede. Dat is prima, zegt de mevrouw, maar ik heb geen tomaat meer. En ook geen komkommer. Hij krijgt kale sla met asperges.

Carla en Folkert en windmolens

Dit was het weer. Bedankt voor het lezen en de groetjes!

 

Losse flarden

Misschien vragen jullie je al af: waar blijft die volgende blog? Houd je het nu al voor gezien, Irene?

Het is geen gebrek aan inspiratie wat me tegen heeft gehouden. Eerder een overdosis aan gedachtes en gevoelens en informatie. Het is één grote chaotische warboel. En terwijl ik wandel, dag na dag, voel ik hoe alles begint te bezinken. Het bezinkt echter niet in een lekker lopend leesbaar kant en klaar verhaaltje.

Misschien moet ik niet zoveel nadenken en gewoon schrijven wat er in mij opkomt. Laat ik dat eens proberen.

We zitten nu aan een tafeltje bij de receptie van een camping in Rocroi, vlakbij de Frans-Belgische grens. Het is koud. Het regent al de hele dag. We hebben tot twee uur in onze tent gelegen. Nu komen er frietjes aan dus ik stop even met schrijven. Frietjes met ketchup.

Zo. Dat was smullen. We vallen zo’n drie keer per week in de frieten-valkuil. We hebben nog een portie besteld.

Het is hier koud en lawaaiig, naast de deur. Er is hier maar een tafeltje om aan te zitten. Het is een komen en gaan van mensen. De meneer van de camping is een beetje doof, zijn stem is schel en galmt door de ruimte heen, pijnlijk in onze oren.

Nu is ook het tweede portie frietjes op. Ik heb het weer een beetje warm gekregen.

Folkert heeft laatst een stroomstoot gekregen toen hij het prikkeldraad voor mij omlaag wilde houden zodat ik er over heen kon stappen.

Ik heb al meer dan honderd keer wildgeplast. Minstens vier keer per dag. Dat is nog een krappe schatting zelfs. Ik drink zoveel water en eet zoveel fruit dat ik telkens overvallen wordt door een blaas die acuut geleegd moet worden. Met mijn tas op mijn rug hurk ik. Een extra training voor mijn bovenbenen die me steeds soepeler afgaat.

Onze broeken, die zitten los om onze billen heen. Die van mij heb ik een paar centimeter kleiner gemaakt met een veiligheidsspeld. Folkert heeft een touwtje als riem om zijn broek niet af te laten zakken.

De matjes waar we op slapen, die zijn al lek.

Afgelopen week hebben we een fruitvierdaagse gehouden. Vier dagen lang hebben we alleen maar bananen, mango’s, pruimen, abrikozen, aardbeien, meloenen, appels, peren, avocados, komkommers, tomaten, perziken gegeten. De eerste dag had ik last van cravings. Daarna voelde ik me zo licht als een veertje en zo energiek als een – ja als wat eigenlijk? Iets wat HEEL erg vol met energie zit. Lekkere sugar high. Sindsdien is de basis van ons dieet fruit. Aangevuld met groente, chocola, noten en friet.

Folkert heeft nog maar één sok. De rest is weg. De laatste bungelt al enkele weken aan zijn tas, voor de sier.

De bovenlip van Folkert is opgeslokt door z’n snor. Telkens als we kussen moet ik eerst zijn snor aan de kant doen.

Zelden denk ik terug aan mijn vorige leven, het leven dat we hadden voordat we aan deze wandeling begonnen. Ik herinner me nog het inpakken van de dagelijkse gebruiksvoorwerpen. De fluitketel, een symbool van huiselijkheid. Wanneer gaan we die weer tevoorschijn halen? Geen idee.

Ik ben heel erg blij met mijn schoenen, de barefoot schoenen. Voor elke teen een ingangetje. Contact met de grond, de hele dag door gemasseerde voetzolen. Sterke enkels, sterke kuiten. Geen hete, opgesloten, zwetende voeten in zware schoenen.

Onderweg luister ik naar podcasts. De filosofen hebben al een boel denkwerk voor mij verricht. En Stephen West heeft het in een zeer toegankelijke vorm gegoten. Daar luister ik naar met het grootste genoegen. Ik ben begonnen aan Homo Deus, aan Sapiens, (beide geschreven door Yuval Noah Harari), aan een opfris luister-cursus Frans. Ik heb me bijna door de neapolitan novels van Elena Ferrante heen gewerkt. Ik lees en luister alles door elkaar. Iets wat ik eerst niet deed. Boek voor boek, las ik eerst.

En vaak, dan loop ik alleen maar te lopen. Steeds vaker wordt het stil in mijn hoofd. Met elke stap voel ik me lichter en leger en schoner en opgeruimder en frisser en sterker en helderder. En soms ook moeier en zwaarder, maar nooit is het ondraaglijk. En we zijn nog maar net onderweg.

En Folkert, die ziet er met elke kilometer beter uit. Blakend van levenslust, zich ontdaan van zware lasten. Blonde krullen, heldere ogen, stralende huid. Welvaartsbuikje vaarwel gezegd.

Met ons gaat het dus goed. Nu ga ik naar de tent. Dag hoor!

 

Pas op voor je schenen

Hallo lieve lezers,

Wat gebeurt er toch veel als je (bijna) elke dag wandelt. Soms weet ik ’s avonds niet meer waar we ’s ochtends waren. Dan vraagt men ‘waar komen jullie vandaan?’ en dan moeten we moeilijk lang nadenken.

Goed, leuk dat jullie er weer zijn hoor! Mijn vorige schrijfsel is erg goed gelezen, dank daarvoor. Vandaag wil ik nog een stapje verder gaan. Ik ben benieuwd of jullie het volhouden. Het stille meisje, dat was ik. Nu weet ik hoe dat komt: ik had gewoon niet zoveel te vertellen dat ik het vermelden waard vond. Stil ben ik nog steeds, schrijven maakt immers niet zoveel lawaai.

Ga er maar eens even lekker voor zitten. Of staan. Wat je wilt. Het is aan jou.

Den Bosch

We kopen twee kilo kersen vlak voor we de bebouwde kom van Den Bosch inlopen. We zijn op weg naar Anne en Aike. Over een viaduct, nog maar vijf kilometer. Ik zit net lekker in een Philosophize This podcast over Aristoteles. En dan in ene doemt daar het gezicht van Hagen voor mij op. Niet als illusie, maar echt! Zomaar, midden op het viaduct zien we daar twee bekende gezichten. Die van Hagen en die van Daan. Wat je niet verwacht, herken je niet meteen. Via de blogs en via Anne hebben ze ons getraceerd. De auto staat een stukje verderop, in de berm.

Daar gaan we maar even zitten, in het gras. Het is niet bepaald een proper plekje, eerder vies en morsig. We eten kersen en spugen pitten alle kanten op. Gespreksonderwerpen: eiwitten, aminozuren, crypto currencies en vuurtjes. Hagen en Daan, ze gaan niet mee naar Anne en Aike. Ze moeten weer weg. Ze kwamen ons alleen even opwachten. Dankjulliewel voor jullie bezoek.

Anne en Aike zijn nog aan het grasmaaien, bij hun ouders. Ze zijn nog niet thuis. Hongerige mensen zijn zwakke mensen. Zo komt het dat we weer in de snackbar belanden, op de hoek van de straat, op steenworp afstand van Anne en Aike. Net als twee weken geleden. Net als toen, drijven ook nu onze frietjes in een dikke laag smurrie van curry met uitjes. Net als toen neem ik me ook nu voor om geen curry meer te nemen bij mijn frietjes. Of nog beter, misschien moet ik maar stoppen met frietjes eten?

De friet is vakkundig en efficient verorberd. Onze vegan vrienden zijn thuis, we bellen aan nét voordat ze in bad gaan. We krijgen stroopwafels in onze handen geduwd, instructies om thee te zetten en het ons gemakkelijk te maken. Daarna wisselen we: Folkert en ik gaan in bad, Anne doet al onze kleding in de wasmachine en daarna gaan we eten. We kijken de film Okja, er wordt nog een frietje gehaald. Tweemaaldaags friet, hiep hoi! Nog meer stroopwafels. Chips. Moe, misselijk en voldaan gaan we naar bed. En ook een beetje verdrietig, door Okja.

Maandag blijven we nog een dagje hangen. We zoeken twee warme slaapzakken uit, Folkert schaft een nieuwe rugtas aan. We delen een magnum-achtig ijsje. Smullen!  Het ligt niet zwaar op de maag, er zit evengoed chocolade omheen en het allerbeste is: er heeft geen enkel dier hoeven te lijden voor onze smaak. ’s Avonds eten we lasagne. De dag eindigt vroeg, we zijn een beetje moe vandaag.

Allememaggies

Anne komt terug uit haar nachtdienst, Aike gaat naar zijn werk en wij gaan weer een dag wandelen. Schone kleren, nieuwe tas, volle maag. Voor we Den Bosch uit zijn worden we aangesproken door twee jongemannen die met ons een gesprek willen voeren over het christendom. Wij als vegangelisten hebben zo onze eigen agenda en willen graag met ze in gesprek. Ze verkondigen liefde. Folkert en ik, wij zijn ook voor liefde. Maar wij zouden het liefst zien dat deze liefde zich verspreid, tot ver voorbij het menselijk ras. De mens is niet de kroon op de schepping. Wij zijn slechts een miniem onderdeeltje van het eindeloze geheel. Wij zijn ook maar noodzakelijkerwijs voortgevloeid uit een eindeloze keten van voorouders. We achten onszelf te hoog. En kijk eens wat het ons brengt? Zeker niet alleen maar goeie dingen.

De jongen die het woord voert, laten we hem Anzi noemen, zegt dat niemand meer lief kan hebben dan Jezus. Niemand. Jezus werd aan het kruis genageld, en nog steeds had hij lief. Zelfs degene die hem aan het kruis hing, zelfs degenen die hem verraadden! Kunnen wij mensen ooit zo goed zijn? Zou ik liefde kunnen voelen voor de mens die Folkert zou vermoorden? Nee toch? NEE TOCH?!

Ik ben niet erg goed in discussies voeren. Waarschijnlijk heb ik niet genoeg oefening gehad. Vaak vind ik ook dat mijn mening niet tentoongesteld hoeft te worden. Er zijn al zoveel meningen, wat mij betreft hou je die lekker bij je. (Dat is toch ook een mening, hypocriet dat je bent!)

Weet je wat mijn probleem met meningen is: ze zijn te grillig, te persoonsgebonden. Ze hebben vaak  weinig te maken met een ‘objectieve’ waarheid. Bovendien is de wereld complex. Een mening is een incomplete weergave van zaken als je het mij vraagt. Gebaseerd op wat jou als persoon het beste uitkomt, vaak. Vandaar dat ik me liever niet teveel inlaat met meningen. Laat staan dat ik er zelf een vorm. Ik weet inmiddels dat ik niet zoveel weet.

Maar is het Jezus-standpunt van Anzi dan ook een mening? Hijzelf ziet het vast niet zo. In ieder geval, ik vind het maar makkelijk gedacht. Gemakkelijk om te zeggen dat er niemand zo goed kan zijn als Jezus (behalve God zeker). Wat is dan uberhaupt het streven? Moet je ernaar streven om net zo heilig als Jezus te worden, of kun je het maar beter gelijk opgeven?

De koeien

Het landschap is niet zo boeiend. Veel veeteelt. Boerderijen. Weilanden, sommige met koeien. Of stieren. Soms ook paarden. Schapen. We blijven even staan bij een veld met koeien. Bijna altijd komen de dieren naar ons toe. Nu ook, met z’n allen komen ze onze kant op geslenterd. Folkert is al druk bezig met gras plukken. We bieden onze excuses aan. ‘Sorry, vrienden,’ zeggen we. Ik ga verder: ‘Sorry dat we zo onnadenkend waren. Dat we jullie pijn hebben gedaan. We zullen het niet meer doen. Sterker nog, we zijn voorvechters geworden. We proberen het goed te maken. Maar weten jullie, culturele indoctrinatie is een krachtig iets. Net als het reduceren van cognitieve dissonantie. (Als je niet weet waar ik het over heb, daag ik je uit op de link te klikken en het artikel te lezen.) Daarom heeft het ook zo lang geduurd voor wij er achter kwamen waar we ons schuldig aan maakten. Daarom duurt het ook zo lang om onze medemensen wakker te maken. Je weet niet wat je niet weet. En je weet ook niet wat je niet wilt weten. We zijn bezig.’

De koeien, ze kijken naar ons. Allemaal. De koe die het meest dichtbij staat, krijgt nog wat gras van Folkert. ‘Jullie persoonlijk hebben hier niets aan. Jullie krijgen vroeg of laat toch nog een pin door je hoofd. Ik heb gezien hoe dat gaat. Het was op de televisie. Het was niet eens in het echt. Ik kon het niet ruiken. Ik kon jullie geschreeuw niet op volle sterkte horen. Het was een eendimensionaal beeld. Ik wilde niet kijken, maar het moest. Ik wist niet waar ik aan begon toen ik de documentaire aanzette. Maar toen ik eenmaal doorhad wat ik aan had gezet, was ik verplicht te zien waar ik aan mee had gedaan. Anderhalf uur lang heb ik gezien hoe jullie – onze mede aardbewoners – gemarteld werden. Oh, wat heb ik mij geschaamd. Wat deed het pijn om dat te zien. En ook dat riep weer schaamte op. Want mijn pijn is niets vergeleken bij jullie pijn.’

‘Weten jullie waar ik het over heb? Of is dat nog jullie geluk, dat je op dit moment van niets weet? Maar misschien zijn jullie evengoed wel bedroefd. Dat je je zoon niet bij je mocht houden, dat ze die bij je weghaalden, dat-ie is vermaald tot goedkoop hamburgervlees. Omdat wij menen dat we recht hebben op de melk die je zoon toebehoort. Sorry, meisjes.’ De koeien, ze kijken nog steeds. Ze luisteren, maar verstaan is iets anders. Ik kan ze niet zo makkelijk aanraken, ze willen niet te dicht bij het prikkel schrikdraad komen. Evengoed, ze lijken geboeid te luisteren naar mijn monoloog vol met excuses. Ze hebben van die mooie bruine koeienogen. En massieve, grote indrukwekkende lijven. Waarschijnlijk zijn ze nooit boos geweest op mij. Onze lieve vegan vrienden. Die het liefst de hele dag grazen, met hun zoon of dochter aan hun zijde, melk sabbelend uit de uiers. Totdat ze groot genoeg zijn en ook gras gaan eten.

Wij zijn de enige dieren op aarde die menen dat we de melk van een ander dier nodig hebben. Goor en niet nodig, vind ik nu. Verdorie, wéér een mening. Of zullen we dit een feit noemen?

De Pelgrimshoeve

In Vessem staat de Pelgrimshoeve, beginpunt voor veel pelgrims. We arriveren onaangekondigd. Dat reserveren wel eens gewenst zou kunnen zijn, is niet in ons opgekomen. De twee gastvrouwen ontvangen ons hartelijk. We krijgen koffie. En een koekje, dat we afslaan. ‘Ik associeer koekjes niet eens met dieren,’ zegt Helmi, als we uitleggen dat we het niet voor de slanke lijn doen.

Als we mee willen eten vanavond, hoeft alleen de vis weggelaten te worden. We voeren interessante gesprekken. Over activisme, veganisme, de camino (we krijgen talloze tips). Of de wereld veranderd kan worden of al gedoemd is tot de ondergang. ‘Ik maak me geen illusies,’ zegt Helmi heel stellig. ‘Absoluut niet!’ Ze ziet het somber in. Van zo’n gedachte, zo’n instelling, daar word ik dan weer erg somber van. Dan hebben we nog Lilian, die zich niet laat kisten. Ze protesteert en demonstreert voor van alles en nog wat. Tegenwoordig is ze wat meer gematigd, lang niet meer zo activistisch en uitdragend als ze ooit was. Folkert bedankt haar voor haar inzet. Hij zegt dat hij graag haar werk voortzet. Helmi houdt zich op de achtergrond. Later lijkt het of ze ons uit de weg gaat en niet wilt horen waar we het over hebben. Misschien vindt ze het te vermoeiend. ‘De jeugd en hun idealen, jahoor. Zij weten het weer beter,’ kan ik Helmi bijna horen denken. Misschien zit ik er naast, ze komt mij zwaarmoedig over, als iemand die snel beren op de weg ziet. Ze zegt dat we het moeilijk gaan krijgen in Spanje. Als plantaardige eters.

Folkert en Lilian

Vlak voor het eten is daar broeder Fons. Een man met felblauwe heldere ogen. Hij komt tegenover me aan tafel zitten. Ik vertel hem dat we ons huis van de hand hebben gedaan en dat dit de start is van ons nieuwe leven. Een leven met minder aardse bezittingen en meer compassie voor het geheel. ‘We kwamen erachter dat we zombies aan het worden waren, lui en hebberig en dik en ziek,’ zeg ik. Broeder Fons, hij lijkt het allemaal prachtig te vinden. Folkert is wakker van zijn tukje en schuift bij ons aan tafel. ‘Jullie zijn er vroeg bij,’ zegt Fons. ‘Ik werd pas op mijn achtenvijftigste wakker. Jullie gaan een prachtige wandeling tegemoet als jullie nu al tot hier zijn gekomen!’ En dan zegt Fons woorden die magisch klinken in de oren van Folkert: ‘Je moet helemaal niets.’ Hiermee geeft broeder Fons zijn zegen aan Folkert. Hij zegt dat Folkert vrij mag zijn in zijn denken en in zijn handelen. Hij hoeft zich niet voor te laten schrijven wat hij moet doen, te leven naar maatstaven van anderen. Maak de wereld mooier dan deze is. ‘Vinden jullie het goed als ik jullie straks wegzend?’ vraagt Fons. Want daarvoor kwam hij hier. Welzeker, Fons mag ons wegzenden. Dan komt Helmi ons halen voor het eten, dat staat al een tijdje op ons te wachten. We spreken met Fons af over een uur en gaan naar buiten, waar de tafel gedekt staat. Helmi heeft heerlijk gekookt.

De wegzendceremonie bestaat uit een gedichtje, wat mooie woordjes, een paar minuten stilte terwijl we in de vlammen staren en handengeschud van alle vier de mensen die ook bij de ceremonie aanwezig zijn. We krijgen een kaars, een schelp en een stempel. Daarna gaan we koffie drinken en geen koekje eten. Wie had ooit gedacht dat we zo weerbaar zouden worden tegen alle zoete verleidingen?!

Vrienden maken

Dit is de dag dat we de grens bereiken. De Belgisch-Nederlandse grens. De hele dag komen we geen supermarkt tegen. We moeten het doen met wat we hebben. Dat is niet zo veel maar zeker niet weinig. Toch vind ik het vervelend. Stel je voor dat ons eten opraakt en dat we dan niets meer hebben?! En dat ik die angst heb vind ik ook weer vervelend. En verspilde moeite is het ook. Er is immers nog voorraad genoeg, we hoeven niet op rantsoen en bovendien: van even zonder eten word je echt niet ziek of zwak. Daarnaast heeft Folkert een bramenobsessie ontwikkeld. Hoe zuidelijker we komen, hoe talrijker de bramen lijkt het wel. We hebben al een bak met drie liter bramen gevuld. ‘Om vrienden mee te maken op de camping,’ zegt Folkert. ‘Ik ga straks gezondheid uitdelen!’

Brabantse flora

Op de camping, nog nét in Nederland, zetten we onze tent op, helemaal achteraan. Het is etenstijd en iedereen zit voor de caravan. De camping bestaat uit twee straatjes, met daaraan netjes op een rijtje de caravans. Het is zo keurig en burgerlijk dat ik er akelig van word. Het wc-gebouw is aan de andere kant van de campingstraat. Elke keer als ik daar heen loop, moet ik langs al die mensen die voor hun voortent zitten te loeren naar alles wat voorbij komt. Moet ik elke keer als ik voorbij kom gedag zeggen? Recht vooruit kijken alsof ze er niet zijn? Of onderdanig met mijn blik op mijn voeten gericht? En dan weer terug lopen. Ongemakkelijk. Ik combineer vooral de eerste twee tactieken.

Voor je het weet beland je in een gesprek als dit:

– ‘Ben je op vakantie?’
Ik: ‘Wat zegt u?’
– ‘Ben je hier op vakantie?’
Ik: ‘Oh. Ja. Op doortocht. Met een tentje.’
– ‘Ik sta hier tot eind oktober. Maar vandaag moeten we naar huis. We moeten naar een verjaardag. Volgende week komen we weer terug.’

‘Leuk,’ zeg ik dan maar. Bij gebrek aan motivatie om een echt gesprek met deze meneer op te starten. In zulke gesprekken verander ik in één keer in een lijdend voorwerp. Oude angsten duiken op, dat ik gevangen zit in een monoloog, waarbij ik doe of ik luister en de ander maar doorpraat. En dat ik dan niet weet wat ik moet zeggen en alleen maar weg wil, weg weg weg. Met een licht gevoel van schuld en ongemak beeindig ik het gesprek voor het echt uit de hand loopt. Wie ben ik eigenlijk dat ik deze meneer zijn monoloog zo rap afkap? Bovendien, van monologen kun je een echt gesprek maken toch? Niet nu. Ik wens deze meneer een fijne avond en loop snel verder.

Folkert heeft al een rondje met de bramen gemaakt. De eerste stap van de wederkerigheid is gezet. De volgende twee ochtenden krijgen we naast gezellige kletspraatjes ook koffie aangeboden. Folkert de extraverte, Irene de introverte. Folkert is mijn toegangspoort tot de buitenwereld. Een verdeling die mij doorgaans uitstekend bevalt.

We blijven nog een tweede dag op deze camping. Vandaag gaat al ons eten op. Ik maak een salade met alles wat we hebben: komkommer, haver, tomaat, lijnzaad, zonnebloempitten, courgette, knoflook, gember, ui en grapefruit. Hier moeten we voorlopig op teren.

Jos (spreek uit als Zjos)

We stappen de camping af en zijn gelijk in Belgie. Een tijd later sta ik daar pas bij stil. ‘Hé Folkert!’ roep ik, ‘we zijn zomaar Belgie binnengelopen, zonder er een momentje van te maken!’ Hij haalt zijn schouders op en loopt door.

Vandaag zijn we zonder ontbijt op weg gegaan. De voorraad is op. Onderweg eten we bramen en drinken we water. Na twintig kilometer komen we aan bij een nederzetting met kappers en snackbars en tankstations en meer van dat. Als eerste stuiten we op een fruitwinkel. We zijn in het paradijs beland. We gaan voor mineola’s, blauwe bessen, een kilo pruimen, honingmeloen, watermeloen, twee komkommers en een courgette, bleekselderij en broccoli. ‘Zal je net zien dat daar bij die kerk een prachtig bankje staat,’ zeg ik tegen Folkert. En jawel, het bankje staat er. We vallen aan op de bessen, mineola’s, meloen en pruimen. Het loopt al tegen de avond, het is tijd om een slaapplek te zoeken. Eerst nog langs de supermarkt, voor havermout. En koekjes en chocolade en kikkererwten. Gehurkt naast de supermarkt besluiten we nog twaalf kilometer door te lopen, tot aan Hulsen, waar we wel kunnen overnachten. Er komt een jongeman op ons af gefietst. Hij heeft geen schoenen aan.

‘Kan ik jullie helpen?’ vraagt hij. ‘We zoeken een slaapplek,’ zeggen we tegelijkertijd.

‘Ach,’ zegt de jongeman. ‘Ik heb maar een klein studiootje, dat past echt niet. Die kant op is een camping.’ Hij wijst in de richting waar we vandaan komen. ‘Jullie kunnen ook de bus pakken.’ We leggen hem uit dat we lopen. We bedanken hem voor zijn hulp. ‘Als jullie willen, mag je wel even bij mij thuis douchen,’ biedt hij nog aan. Het aanbod slaan we af. Ik vraag hem of hij een koekje wilt. Nee, hij is aan het vasten. Hij wenst ons succes en fietst weg. We hijsen de tas op onze rug, een paar kilo zwaarder nu we weer eten hebben. Hup, nog twaalf kilometer. Ik zet Bob Dylan aan. Blood on the tracks. Met het voornemen om eens heel goed te luisteren naar de teksten.

Iets later is de jongeman daar weer op zijn fiets. ‘Jullie gaan de verkeerde kant op,’ meldt hij ons. Hij heeft schoenen aangetrokken. ‘Zal ik een stukje met jullie meelopen anders? Ik maak me een beetje zorgen!’ We leggen hem uit dat de camping die hij bedoelt wel dichtbij is, maar helemaal uit de richting. Folkert geeft de jongeman een schouderklopje. Hij verzekert hem dat zijn zorgen overbodig zijn. Maar wel lief hoor. ‘Kunnen jullie echt niet de bus pakken?’ probeert hij nog.

Rond negen uur komen we aan in Hulsen. Hier staat een gigantische kerk. Wat een bofkont, die God, denk ik voor de zoveelste keer. Iemand die het universum heeft veroorzaakt verdiend natuurlijk ook niet minder dan de grootste gebouwen.

We hadden hier een abdij verwacht, met vriendelijke gastvrije monniken. Niet goed gelezen. Er is niemand thuis. Het begint te regenen. We schuilen in een portiek naast de kerk. Achter in ons routeboekje vinden we een telefoonnummer van een Pelgrim voor een Pelgrim. Folkert belt, krijgt een man aan de lijn, hij legt de situatie uit en amper vijf minuten later staat er een auto voor onze neus. Jos! (Zjos dus.) We stappen in de auto, met gewetensbezwaren, dat wel. Dit is niet het moment om aan principes vast te blijven houden. Beleefdheid en dankbaarheid gaan voor. Gelukkig is het maar een paar honderd meter.

De ontmoeting met Jos is wonderlijk. Het is een lieve en zonnige man. Hij biedt aan om een pizza in de oven te schuiven. Ik vraag hem of ik een broccoli mag koken. Hij komt met wat aardappels uit eigen tuin. Met de bleekselderij en wat kruiden wordt het een feestmaal. Jos warmt een smakelijk soepje voor ons op. Sjongejonge! Wat een maaltijd, om half elf. Wat een geluk! Hij regelt pantoffels voor ons, hij vreest voor onze voeten op de koude tegelvloer.

Hij vertelt over de ziekte van zijn vrouw. Ze slaapt al. Helaas, we krijgen haar niet te ontmoeten. Jos heeft een moestuin. Morgen gaan we even kijken, we mogen wat dingetjes meenemen voor onderweg. We kunnen ze eerst nog even koken. Jullie hoeven je morgen niet te haasten, zegt Jos. Doe rustig aan. Het is jammer dat het al zo snel laat aan het worden is. We gaan naar bed.

Patisson

De volgende ochtend, na het ontbijt, neemt Jos ons mee naar zijn moestuin. Hij geeft ons een patisson, een courgette-achtige groente. Ik oogst wat sperziebonen. Een bosje peterselie. Dan gaan we weer op weg. Soms wil je dat iets langer duurt. Maar misschien ligt juist de kracht wel in de beperkte duur en de onverwachtheid. Maar eerst nog even op de foto. Jos verzamelt foto’s van pelgrims die bij hem hebben gelogeerd.

Tot zover mijn zieleroerselen. Zijn jullie er nog of laat jullie cognitieve dissonantie dat niet toe? 😉

Liefs en peace out!

Een lang verslag, het is toch weekend

Hallo beste lezers,

Ik ben een beetje een twijfelkont. Wat deel ik allemaal met jullie en wat niet?! Wanneer is een stuk tekst echt veels te lang? In de tekstverwerker is dit al meer dan twee pagina’s. Dat zal wel te lang zijn. Ik plaats het toch. Eens even kijken of jullie het tot het einde halen. Bedankt trouwens voor het lezen van mijn eerste publicatie.

Zaterdag, uitbrakdag (daar waar het vorige stukje eindigde ga ik nu verder)

We zetten ons tentje op, op een mooi beschut open plekje, tussen de bomen. Geen andere tent te zien vanaf hier. We rollen onze slaapzak uit en doen een tukkie op het zachte gras. Om zeven uur worden we wakker, eten de curry op die we van huis hebben meegenomen en gaan daarna in onze tent liggen om verder te slapen. Folkert valt direct in slaap, ik lig de hele nacht te woelen. Tintelende benen, kou en geritsel om de tent houden me wakker. Rond half zeven schiet Folkert overeind, met een schreeuw van paniek die ongeveer zo klinkt: ‘whlloaahhllllll!!!!1!!!1!!!11!!!!’. Er zit een muis in zijn shirt. Hij rukt zijn shirt open gooit ‘m de tent door. De muis schiet een hoek van de tent in en kijkt ons angstig aan. Folkert pakt zijn schoen en slaat de muis aan gort. Zo doen we dat.

Nee, grapje. Terwijl ik ook rechtop in m’n slaapzak zit en passief toekijk wat er allemaal aan het gebeuren is, ritst Folkert de tent open zodat de muis naar buiten kan. Ik kruip dieper in m’n slaapzak, probeer deze af te sluiten rondom mijn nek zodat de muis niet bij mij naar binnen kan. Folkert pakt zijn schoen en probeert de muis de juiste kant op te dirigeren maar hij schiet eerst nog een andere hoek in. Bij de tweede poging snapt de muis waar de uitgang is. Met een schattig hupsje springt hij via mijn rugzak de tent uit. Daag, muis! Na dit reusachtig spannende intermezzo val ik als een blok in slaap. Tot we om half elf de tent uit branden. Dan zien we de muizenkeutels, de aangevreten banaan, het roggebrood en het gat in de tent.

Zondag rustdag

Die dag houden we nog een dag rust. We helpen een uurtje mee op de camping, er wordt een nieuwe kampvuurkuil gemaakt. Daarna lopen we (best een eind) naar de supermarkt omdat onze voedselvoorraad is opgevreten. Die avond hangen we ons eten in de boom. Folkert ligt weer binnen de kortste keren onder zeil, ik luister nog een tijd naar de muizen die om de tent heen rennen. Over de tent zelfs. Ik zie hun silhouetjes op het tentdoek. Geregeld schud ik aan de tent maar het heeft allemaal niet zoveel zin. Ze schrikken, rennen weg en komen weer terug. Ze rennen over het tentdak heen en weer en glijden het laatste stukje, waar het steil wordt, naar beneden. Trrn trrn zoeff, zo klinkt dat. Folkert weet van niets. We hebben geen eten in de tent dus ik moet maar geloven dat ik niet wakker word met een muis in m’n shirt. Mijn ogen vallen dicht en deze nacht slaap ik heerlijk.

En dan is het maandag

Niet dat weekdagen nog uitmaken. De muizen hebben onze tas in de boom gevonden, ze hebben zich bovenin de tas tegoed gedaan aan het brood, zijn doorgegaan naar de zak met noten en daarna naar de bodem van de tas om een gaatje te knabbelen.

Onze voeten zijn best wel genezen, een nieuwe blarenpleister erop en er is weinig aan de hand. Mijn tas is zwaar vandaag, mijn voeten doen al snel weer pijn en de twintig kilometer doen erg lang aan. We wandelen naar Zeist, de Bilt en eindbestemming Utrecht. We slapen op de Budgetcamping bij de Berenkuil. Daar kun je zeven minuten lang douchen voor vijftig cent!!!!! Folkert neemt het ervan en jaagt er één euro vijftig doorheen.

Dinsdag

Dinsdag bezoeken we het Nederlands Genootschap van Sint Jacob in Utrecht om een stempeltje te halen voor in ons Pelgrimspaspoort. Voor deze stempel lopen we een flink stuk om. Het had ons ongeveer dertig kilometer gescheeld als we Utrecht rechts hadden laten liggen. Het voelt raar om je eigen stad als pelgrim te doorlopen. We komen langs het Stadion en halen daar nog een extra paar vijfvingerige sokken voor in onze awesome schoenen.

Nu laten we Utrecht achter ons, we zijn in Bunnik en vinden de Krommerijn. We slingeren samen met de rivier het landschap door. Vissende meneertjes vragen hoelang we nog moeten. ‘Nog vijfentwintighonderd kilometer,’ antwoordt Folkert. ‘Oh doe ze maar de groetjes daar!’ ‘Komt voor elkaar,’ zegt Folkert, en hij maakt een innerlijke notitie om de groetjes van de twee vissende meneertjes niet te vergeten. (Ik weet niet hoelang die notities standhouden dus bij deze is dit nog een extra reminder.)

Het begint te regenen, lekker hard. We soppen door het zomerse Nederlandse landschap heen. We zijn bijna op onze bestemming dus we doen niet onze regenjas aan. Er stopt iemand om ons een lift aan te bieden. Vrolijk slaan we deze af. Waar maar raar.

Boerderij-camping de Strosteeg in Driebergen-Rijssenburg is ons eindpunt van vandaag en daar wacht ons een verrassing. Precies wat je nodig hebt als je moe en verregend bent. We kloppen aan. De deur gaat open en er wordt ons meteen een hand toegestoken. ‘Mewis,’ stelt hij zichzelf voor. We krijgen een uitgebreide rondleiding. De regen is even gestopt. Omdat er verder geen andere gasten zijn stelt Mewis voor dat we in de slecht-weer-ruimte gaan slapen. Dan hoeven we onze tent niet op te zetten. Hij vraagt of we al hebben gegeten. Nee, dat hebben we niet. Hij komt ons sla, tomaat en een ui brengen. En later nog een zak met walnoten, die ik gelukzalig oppeuzel. Voor mij zijn dit de lekkerste noten ooit. Folkert krijgt er ook een paar. Ook heeft Mewis een fantastische douche. En een droogrekje. En nog meer walnoten.

Bij Mewis in de schuur

Woensdag

Dit is ook een bijzondere dag. We slingeren verder langs de Krommerijn, helemaal naar Wijk bij Duurstede. Mijn voeten zijn moe, mijn enkels doen pijn en op mijn sleutelbeenderen beginnen zich blaren te vormen van de tas.

Folkert moet een beetje huilen

We kopen een kilo kersen in Cothen en eten de helft meteen op. In Wijk aangekomen weten we niet zo goed waar we heen moeten. Alleen maar dure slaapgelegenheden. Dit is het moment om een gratis slaapplek te zoeken: aanbellen en vragen of we in de voortuin mogen slapen. Maar voordat we moed hebben verzameld worden we al aangesproken door een meisje, ze vraagt ons of we iets zoeken. ‘Weet je een goedkope slaapplek?’ vraagt Folkert. Ze denkt lang en diep na, haar gezicht vertrekt er helemaal van. ‘Kom maar met mij mee,’ zegt ze uiteindelijk. Yes! Ze neemt ons mee naar het bijzondere huis van haar ouders, ze bouwt een kampvuurtje en we hebben een gezellige avond. Daarna wordt er een bed voor ons klaargemaakt. Een tweepersoonsbed. Met een deken en een matras en een kussen. Luxe hoor, zelfs al na een paar dagen.

Donderdag en vrijdag

We zijn vlakbij Geldermalsen op camping de Karekiet. Vandaag was best een suffe dag. Die heb je soms, daar doe je niets aan. Gelukkig was het een rustdag en heb ik overdag een heerlijk tukje gedaan om het goed te maken. Vannacht was het te koud om het comfortabel te hebben in onze zomerslaapzakken. Ik had ongeveer alles aan wat ik bij me heb: sokken, lange broek, hemd, t-shirt, jurk, tech-shirt en vest. Vannacht doe ik mijn jas nog aan. Of misschien ga ik wel gewoon in de slecht-weer-ruimte liggen.

Het vervelende van koude nachten is dat ik zo alleen in mijn slaapzak lig. Folkert ligt op nog geen dertig centimeter afstand, maar aan dat lijf heb ik dan helemaal niets. Ik schuifel dichterbij, zodat ik tegen zijn rug aan kan schurken. Maar de slaapzakken zijn zo glad, de matjes zijn glad, de tentvloer is koud. Mijn armen moeten binnen de slaapzak blijven anders wordt het nog kouder. En ben ik eenmaal gearriveerd bij Folkerts rug, merk ik helemaal niets van de warmte die hij afgeeft door alle lagen die tussen ons inzitten. Als we in Den Bosch aankomen ga ik een nieuwe slaapzak aanschaffen.

Vandaag hebben we pruimen geplukt, er staan hier genoeg pruimenbomen op de camping. Ook notenbomen en perenbomen maar die hebben nog tot het einde van de zomer nodig. Het is fantastisch goed vertoeven hier in de Betuwe als vegan. Overal langs de weg zijn kersen te koop, en komkommers en courgettes en frambozen en uitjes en knoflook. Wat heeft een mens nodig?

We hebben niets bij ons om te koken dus we eten al een week lang alleen maar rauw. En af en toe een frietje. Maar vooral salades met noten en zaden en fruit. En brood met pindakaas of notenpasta, en daarop banaan of komkommer of appel. Folkert en ik doen het er goed op.

Zaterdag, scheetjesdag

Dat zal wel door de pruimen komen. We zijn nu op een keurig nette camping. Echt keurig netjes. Geen andere woorden voor. Alles is schoon en netjes en keurig.

We vinden het leuk als je hieronder een reactie achterlaat (:

We zijn er vandoor, peace out!

Een inleiding schrijven is niet makkelijk. Ik wil graag schrijven over het waarom van deze tocht. Hoe een boel gebeurtenissen, inzichten en stappen ertoe hebben geleid dat we deze eerste daadwerkelijke stap hebben gezet. De eerste stap van heel erg veel stappen die ons naar Santiago de Compostella gaan brengen. Op onze eigenste twee voeten en benen, met ons lichaam. Folkert heeft nog als extra regel ingesteld dat we van geen enkel vervoermiddel gebruik mogen maken onderweg. Alles moet lopend gebeuren. Ik vind het wel jammer, ik speel graag een beetje vals. Maar dat geeft misschien ook aan hoezeer ik een lesje in beheersing en discipline kan gebruiken.

Het lot is ons de afgelopen maanden erg goed gezind geweest. Van het allereerste plan tot aan de daadwerkelijke eerste stap. Er moest veel gebeuren en alles is gelukt. Het huis verkopen was de belangrijkste voorwaarde om op weg te kunnen gaan. Dankjewel universum!

We hebben nog zeker drie maanden de tijd om uitgebreid te verhalen over alle achterliggende motieven en gedachtes die aan onze ommekeer ten grondslag liggen. Maar eerst zal ik wat vertellen over de eerste dag, zodat jullie nieuwsgierigheid bevredigd kan worden. En zodat jullie weten dat het goed gaat!

Vrijdag 7 juli – Ermelo, Putten, Nijkerk, Leusden

Om elf uur vertrekken we. Hagen is erbij, die loopt met ons mee tot aan de VVV van Ermelo. Daar halen we onze eerste stempel. Stef, de vader van Folkert, vergezelt ons de hele dag. Hij navigeert, wij hobbelen er achteraan. Vandaag lopen we tot aan Leusden, waar we bij Jenda gaan slapen.

Het is een zware dag. Ik heb me kranig geweerd. Complimenten aan mij. Ik ben niet de hele dag bezig met uitvluchten bedenken. Ik herinner me dat ik dat vier jaar geleden wel deed. Toen fietsten we naar de Noordkaap en was ik constant bezig met escapes bedenken. Stiekem dacht ik dan ‘kunnen we niet een stukje met de trein?’ Dat zijn behoorlijke energieverspillende gedachtes aangezien valsspelen ook toen geen optie was. Folkert is onverbiddelijk.

Maar nu lukt het mij om niet teveel gedachtes te besteden aan de vraag ‘hoever nog?’ en ‘hoelang al?’. Doorlopen. Het doet me goed te ontdekken dat ik me kan onttrekken aan dat zeikerig miepstemmetje in mijn hoofd. Die mijn kracht ondermijnt. Dat geeft vertrouwen. Daarnaast voel ik me sterk, bijna onoverwinnelijk. Het gewicht op mijn rug, waar ik het meest bang voor was, valt reuze mee. Dertien kilo. Maar het is wel zwaar. Maar ik geloof dat ik het kan. Omdat het zo is.  Nu ik daar niet over twijfel is de eerste hobbel al genomen. En dat is voor mij een nieuw besef. Het besef dat ik een sterk en gezond lichaam heb. Dat ik sinds kort pas weet hoe ik het optimaal moet verzorgen. En dat ik al zo snel voelde hoe en ervoer hoe mijn kracht toenam. Mijn lichaam is in goede staat. Zo ook mijn geest. Formidabel! De eerste 12 kilometer lopen we op blote voeten, daarna trekken we onze schoenen aan.

Tussendoor pauzeren we hier en daar, eten een frietje, drinken een koffie en doen ons te goed aan watermeloen, appels en abrikozen. Om half negen arriveren we bij Jenda. Min of meer strompelend, dat wel. Dan hebben we precies dertig kilometer gelopen. Misschien iets te veel op een eerste dag, ongetraind.

Jenda vindt het fantastisch dat ze twee pelgrims te logeren heeft. Ze dompelt ons onder in luxe, liefde en enthousiasme. Ze staat haar bed aan ons af, ze kookt een lekker maaltje voor Stef, Folkert en mij. Daarna nemen we afscheid van Stef, die met de taxi terug naar Ermelo gaat. Wij besluiten wijn te gaan drinken. Het was eigenlijk de bedoeling om onze reis alcoholvrij te doen maar zoals onze vriend Jan zei: je kunt best een wijntje drinken als de gelegenheid daarom vraagt. En het einde van de eerste dag is een gelegenheid. Een paar wijn later gaan we naar bed. De volgende dag vervloeken we onszelf. We zeggen Jenda gedag en vervolgen onze weg. We strandden vijf kilometer verderop in de bossen van Leusden-Zuid. Daar is een natuurcamping. Verder komen we die dag niet.

Wil je op de hoogte blíjven van ons avonturen? Schrijf je dan in op onze nieuwsbrief.