Losse flarden

Misschien vragen jullie je al af: waar blijft die volgende blog? Houd je het nu al voor gezien, Irene?

Het is geen gebrek aan inspiratie wat me tegen heeft gehouden. Eerder een overdosis aan gedachtes en gevoelens en informatie. Het is één grote chaotische warboel. En terwijl ik wandel, dag na dag, voel ik hoe alles begint te bezinken. Het bezinkt echter niet in een lekker lopend leesbaar kant en klaar verhaaltje.

Misschien moet ik niet zoveel nadenken en gewoon schrijven wat er in mij opkomt. Laat ik dat eens proberen.

We zitten nu aan een tafeltje bij de receptie van een camping in Rocroi, vlakbij de Frans-Belgische grens. Het is koud. Het regent al de hele dag. We hebben tot twee uur in onze tent gelegen. Nu komen er frietjes aan dus ik stop even met schrijven. Frietjes met ketchup.

Zo. Dat was smullen. We vallen zo’n drie keer per week in de frieten-valkuil. We hebben nog een portie besteld.

Het is hier koud en lawaaiig, naast de deur. Er is hier maar een tafeltje om aan te zitten. Het is een komen en gaan van mensen. De meneer van de camping is een beetje doof, zijn stem is schel en galmt door de ruimte heen, pijnlijk in onze oren.

Nu is ook het tweede portie frietjes op. Ik heb het weer een beetje warm gekregen.

Folkert heeft laatst een stroomstoot gekregen toen hij het prikkeldraad voor mij omlaag wilde houden zodat ik er over heen kon stappen.

Ik heb al meer dan honderd keer wildgeplast. Minstens vier keer per dag. Dat is nog een krappe schatting zelfs. Ik drink zoveel water en eet zoveel fruit dat ik telkens overvallen wordt door een blaas die acuut geleegd moet worden. Met mijn tas op mijn rug hurk ik. Een extra training voor mijn bovenbenen die me steeds soepeler afgaat.

Onze broeken, die zitten los om onze billen heen. Die van mij heb ik een paar centimeter kleiner gemaakt met een veiligheidsspeld. Folkert heeft een touwtje als riem om zijn broek niet af te laten zakken.

De matjes waar we op slapen, die zijn al lek.

Afgelopen week hebben we een fruitvierdaagse gehouden. Vier dagen lang hebben we alleen maar bananen, mango’s, pruimen, abrikozen, aardbeien, meloenen, appels, peren, avocados, komkommers, tomaten, perziken gegeten. De eerste dag had ik last van cravings. Daarna voelde ik me zo licht als een veertje en zo energiek als een – ja als wat eigenlijk? Iets wat HEEL erg vol met energie zit. Lekkere sugar high. Sindsdien is de basis van ons dieet fruit. Aangevuld met groente, chocola, noten en friet.

Folkert heeft nog maar één sok. De rest is weg. De laatste bungelt al enkele weken aan zijn tas, voor de sier.

De bovenlip van Folkert is opgeslokt door z’n snor. Telkens als we kussen moet ik eerst zijn snor aan de kant doen.

Zelden denk ik terug aan mijn vorige leven, het leven dat we hadden voordat we aan deze wandeling begonnen. Ik herinner me nog het inpakken van de dagelijkse gebruiksvoorwerpen. De fluitketel, een symbool van huiselijkheid. Wanneer gaan we die weer tevoorschijn halen? Geen idee.

Ik ben heel erg blij met mijn schoenen, de barefoot schoenen. Voor elke teen een ingangetje. Contact met de grond, de hele dag door gemasseerde voetzolen. Sterke enkels, sterke kuiten. Geen hete, opgesloten, zwetende voeten in zware schoenen.

Onderweg luister ik naar podcasts. De filosofen hebben al een boel denkwerk voor mij verricht. En Stephen West heeft het in een zeer toegankelijke vorm gegoten. Daar luister ik naar met het grootste genoegen. Ik ben begonnen aan Homo Deus, aan Sapiens, (beide geschreven door Yuval Noah Harari), aan een opfris luister-cursus Frans. Ik heb me bijna door de neapolitan novels van Elena Ferrante heen gewerkt. Ik lees en luister alles door elkaar. Iets wat ik eerst niet deed. Boek voor boek, las ik eerst.

En vaak, dan loop ik alleen maar te lopen. Steeds vaker wordt het stil in mijn hoofd. Met elke stap voel ik me lichter en leger en schoner en opgeruimder en frisser en sterker en helderder. En soms ook moeier en zwaarder, maar nooit is het ondraaglijk. En we zijn nog maar net onderweg.

En Folkert, die ziet er met elke kilometer beter uit. Blakend van levenslust, zich ontdaan van zware lasten. Blonde krullen, heldere ogen, stralende huid. Welvaartsbuikje vaarwel gezegd.

Met ons gaat het dus goed. Nu ga ik naar de tent. Dag hoor!

 

Een lang verslag, het is toch weekend

Hallo beste lezers,

Ik ben een beetje een twijfelkont. Wat deel ik allemaal met jullie en wat niet?! Wanneer is een stuk tekst echt veels te lang? In de tekstverwerker is dit al meer dan twee pagina’s. Dat zal wel te lang zijn. Ik plaats het toch. Eens even kijken of jullie het tot het einde halen. Bedankt trouwens voor het lezen van mijn eerste publicatie.

Zaterdag, uitbrakdag (daar waar het vorige stukje eindigde ga ik nu verder)

We zetten ons tentje op, op een mooi beschut open plekje, tussen de bomen. Geen andere tent te zien vanaf hier. We rollen onze slaapzak uit en doen een tukkie op het zachte gras. Om zeven uur worden we wakker, eten de curry op die we van huis hebben meegenomen en gaan daarna in onze tent liggen om verder te slapen. Folkert valt direct in slaap, ik lig de hele nacht te woelen. Tintelende benen, kou en geritsel om de tent houden me wakker. Rond half zeven schiet Folkert overeind, met een schreeuw van paniek die ongeveer zo klinkt: ‘whlloaahhllllll!!!!1!!!1!!!11!!!!’. Er zit een muis in zijn shirt. Hij rukt zijn shirt open gooit ‘m de tent door. De muis schiet een hoek van de tent in en kijkt ons angstig aan. Folkert pakt zijn schoen en slaat de muis aan gort. Zo doen we dat.

Nee, grapje. Terwijl ik ook rechtop in m’n slaapzak zit en passief toekijk wat er allemaal aan het gebeuren is, ritst Folkert de tent open zodat de muis naar buiten kan. Ik kruip dieper in m’n slaapzak, probeer deze af te sluiten rondom mijn nek zodat de muis niet bij mij naar binnen kan. Folkert pakt zijn schoen en probeert de muis de juiste kant op te dirigeren maar hij schiet eerst nog een andere hoek in. Bij de tweede poging snapt de muis waar de uitgang is. Met een schattig hupsje springt hij via mijn rugzak de tent uit. Daag, muis! Na dit reusachtig spannende intermezzo val ik als een blok in slaap. Tot we om half elf de tent uit branden. Dan zien we de muizenkeutels, de aangevreten banaan, het roggebrood en het gat in de tent.

Zondag rustdag

Die dag houden we nog een dag rust. We helpen een uurtje mee op de camping, er wordt een nieuwe kampvuurkuil gemaakt. Daarna lopen we (best een eind) naar de supermarkt omdat onze voedselvoorraad is opgevreten. Die avond hangen we ons eten in de boom. Folkert ligt weer binnen de kortste keren onder zeil, ik luister nog een tijd naar de muizen die om de tent heen rennen. Over de tent zelfs. Ik zie hun silhouetjes op het tentdoek. Geregeld schud ik aan de tent maar het heeft allemaal niet zoveel zin. Ze schrikken, rennen weg en komen weer terug. Ze rennen over het tentdak heen en weer en glijden het laatste stukje, waar het steil wordt, naar beneden. Trrn trrn zoeff, zo klinkt dat. Folkert weet van niets. We hebben geen eten in de tent dus ik moet maar geloven dat ik niet wakker word met een muis in m’n shirt. Mijn ogen vallen dicht en deze nacht slaap ik heerlijk.

En dan is het maandag

Niet dat weekdagen nog uitmaken. De muizen hebben onze tas in de boom gevonden, ze hebben zich bovenin de tas tegoed gedaan aan het brood, zijn doorgegaan naar de zak met noten en daarna naar de bodem van de tas om een gaatje te knabbelen.

Onze voeten zijn best wel genezen, een nieuwe blarenpleister erop en er is weinig aan de hand. Mijn tas is zwaar vandaag, mijn voeten doen al snel weer pijn en de twintig kilometer doen erg lang aan. We wandelen naar Zeist, de Bilt en eindbestemming Utrecht. We slapen op de Budgetcamping bij de Berenkuil. Daar kun je zeven minuten lang douchen voor vijftig cent!!!!! Folkert neemt het ervan en jaagt er één euro vijftig doorheen.

Dinsdag

Dinsdag bezoeken we het Nederlands Genootschap van Sint Jacob in Utrecht om een stempeltje te halen voor in ons Pelgrimspaspoort. Voor deze stempel lopen we een flink stuk om. Het had ons ongeveer dertig kilometer gescheeld als we Utrecht rechts hadden laten liggen. Het voelt raar om je eigen stad als pelgrim te doorlopen. We komen langs het Stadion en halen daar nog een extra paar vijfvingerige sokken voor in onze awesome schoenen.

Nu laten we Utrecht achter ons, we zijn in Bunnik en vinden de Krommerijn. We slingeren samen met de rivier het landschap door. Vissende meneertjes vragen hoelang we nog moeten. ‘Nog vijfentwintighonderd kilometer,’ antwoordt Folkert. ‘Oh doe ze maar de groetjes daar!’ ‘Komt voor elkaar,’ zegt Folkert, en hij maakt een innerlijke notitie om de groetjes van de twee vissende meneertjes niet te vergeten. (Ik weet niet hoelang die notities standhouden dus bij deze is dit nog een extra reminder.)

Het begint te regenen, lekker hard. We soppen door het zomerse Nederlandse landschap heen. We zijn bijna op onze bestemming dus we doen niet onze regenjas aan. Er stopt iemand om ons een lift aan te bieden. Vrolijk slaan we deze af. Waar maar raar.

Boerderij-camping de Strosteeg in Driebergen-Rijssenburg is ons eindpunt van vandaag en daar wacht ons een verrassing. Precies wat je nodig hebt als je moe en verregend bent. We kloppen aan. De deur gaat open en er wordt ons meteen een hand toegestoken. ‘Mewis,’ stelt hij zichzelf voor. We krijgen een uitgebreide rondleiding. De regen is even gestopt. Omdat er verder geen andere gasten zijn stelt Mewis voor dat we in de slecht-weer-ruimte gaan slapen. Dan hoeven we onze tent niet op te zetten. Hij vraagt of we al hebben gegeten. Nee, dat hebben we niet. Hij komt ons sla, tomaat en een ui brengen. En later nog een zak met walnoten, die ik gelukzalig oppeuzel. Voor mij zijn dit de lekkerste noten ooit. Folkert krijgt er ook een paar. Ook heeft Mewis een fantastische douche. En een droogrekje. En nog meer walnoten.

Bij Mewis in de schuur

Woensdag

Dit is ook een bijzondere dag. We slingeren verder langs de Krommerijn, helemaal naar Wijk bij Duurstede. Mijn voeten zijn moe, mijn enkels doen pijn en op mijn sleutelbeenderen beginnen zich blaren te vormen van de tas.

Folkert moet een beetje huilen

We kopen een kilo kersen in Cothen en eten de helft meteen op. In Wijk aangekomen weten we niet zo goed waar we heen moeten. Alleen maar dure slaapgelegenheden. Dit is het moment om een gratis slaapplek te zoeken: aanbellen en vragen of we in de voortuin mogen slapen. Maar voordat we moed hebben verzameld worden we al aangesproken door een meisje, ze vraagt ons of we iets zoeken. ‘Weet je een goedkope slaapplek?’ vraagt Folkert. Ze denkt lang en diep na, haar gezicht vertrekt er helemaal van. ‘Kom maar met mij mee,’ zegt ze uiteindelijk. Yes! Ze neemt ons mee naar het bijzondere huis van haar ouders, ze bouwt een kampvuurtje en we hebben een gezellige avond. Daarna wordt er een bed voor ons klaargemaakt. Een tweepersoonsbed. Met een deken en een matras en een kussen. Luxe hoor, zelfs al na een paar dagen.

Donderdag en vrijdag

We zijn vlakbij Geldermalsen op camping de Karekiet. Vandaag was best een suffe dag. Die heb je soms, daar doe je niets aan. Gelukkig was het een rustdag en heb ik overdag een heerlijk tukje gedaan om het goed te maken. Vannacht was het te koud om het comfortabel te hebben in onze zomerslaapzakken. Ik had ongeveer alles aan wat ik bij me heb: sokken, lange broek, hemd, t-shirt, jurk, tech-shirt en vest. Vannacht doe ik mijn jas nog aan. Of misschien ga ik wel gewoon in de slecht-weer-ruimte liggen.

Het vervelende van koude nachten is dat ik zo alleen in mijn slaapzak lig. Folkert ligt op nog geen dertig centimeter afstand, maar aan dat lijf heb ik dan helemaal niets. Ik schuifel dichterbij, zodat ik tegen zijn rug aan kan schurken. Maar de slaapzakken zijn zo glad, de matjes zijn glad, de tentvloer is koud. Mijn armen moeten binnen de slaapzak blijven anders wordt het nog kouder. En ben ik eenmaal gearriveerd bij Folkerts rug, merk ik helemaal niets van de warmte die hij afgeeft door alle lagen die tussen ons inzitten. Als we in Den Bosch aankomen ga ik een nieuwe slaapzak aanschaffen.

Vandaag hebben we pruimen geplukt, er staan hier genoeg pruimenbomen op de camping. Ook notenbomen en perenbomen maar die hebben nog tot het einde van de zomer nodig. Het is fantastisch goed vertoeven hier in de Betuwe als vegan. Overal langs de weg zijn kersen te koop, en komkommers en courgettes en frambozen en uitjes en knoflook. Wat heeft een mens nodig?

We hebben niets bij ons om te koken dus we eten al een week lang alleen maar rauw. En af en toe een frietje. Maar vooral salades met noten en zaden en fruit. En brood met pindakaas of notenpasta, en daarop banaan of komkommer of appel. Folkert en ik doen het er goed op.

Zaterdag, scheetjesdag

Dat zal wel door de pruimen komen. We zijn nu op een keurig nette camping. Echt keurig netjes. Geen andere woorden voor. Alles is schoon en netjes en keurig.

We vinden het leuk als je hieronder een reactie achterlaat (:

We zijn er vandoor, peace out!

Een inleiding schrijven is niet makkelijk. Ik wil graag schrijven over het waarom van deze tocht. Hoe een boel gebeurtenissen, inzichten en stappen ertoe hebben geleid dat we deze eerste daadwerkelijke stap hebben gezet. De eerste stap van heel erg veel stappen die ons naar Santiago de Compostella gaan brengen. Op onze eigenste twee voeten en benen, met ons lichaam. Folkert heeft nog als extra regel ingesteld dat we van geen enkel vervoermiddel gebruik mogen maken onderweg. Alles moet lopend gebeuren. Ik vind het wel jammer, ik speel graag een beetje vals. Maar dat geeft misschien ook aan hoezeer ik een lesje in beheersing en discipline kan gebruiken.

Het lot is ons de afgelopen maanden erg goed gezind geweest. Van het allereerste plan tot aan de daadwerkelijke eerste stap. Er moest veel gebeuren en alles is gelukt. Het huis verkopen was de belangrijkste voorwaarde om op weg te kunnen gaan. Dankjewel universum!

We hebben nog zeker drie maanden de tijd om uitgebreid te verhalen over alle achterliggende motieven en gedachtes die aan onze ommekeer ten grondslag liggen. Maar eerst zal ik wat vertellen over de eerste dag, zodat jullie nieuwsgierigheid bevredigd kan worden. En zodat jullie weten dat het goed gaat!

Vrijdag 7 juli – Ermelo, Putten, Nijkerk, Leusden

Om elf uur vertrekken we. Hagen is erbij, die loopt met ons mee tot aan de VVV van Ermelo. Daar halen we onze eerste stempel. Stef, de vader van Folkert, vergezelt ons de hele dag. Hij navigeert, wij hobbelen er achteraan. Vandaag lopen we tot aan Leusden, waar we bij Jenda gaan slapen.

Het is een zware dag. Ik heb me kranig geweerd. Complimenten aan mij. Ik ben niet de hele dag bezig met uitvluchten bedenken. Ik herinner me dat ik dat vier jaar geleden wel deed. Toen fietsten we naar de Noordkaap en was ik constant bezig met escapes bedenken. Stiekem dacht ik dan ‘kunnen we niet een stukje met de trein?’ Dat zijn behoorlijke energieverspillende gedachtes aangezien valsspelen ook toen geen optie was. Folkert is onverbiddelijk.

Maar nu lukt het mij om niet teveel gedachtes te besteden aan de vraag ‘hoever nog?’ en ‘hoelang al?’. Doorlopen. Het doet me goed te ontdekken dat ik me kan onttrekken aan dat zeikerig miepstemmetje in mijn hoofd. Die mijn kracht ondermijnt. Dat geeft vertrouwen. Daarnaast voel ik me sterk, bijna onoverwinnelijk. Het gewicht op mijn rug, waar ik het meest bang voor was, valt reuze mee. Dertien kilo. Maar het is wel zwaar. Maar ik geloof dat ik het kan. Omdat het zo is.  Nu ik daar niet over twijfel is de eerste hobbel al genomen. En dat is voor mij een nieuw besef. Het besef dat ik een sterk en gezond lichaam heb. Dat ik sinds kort pas weet hoe ik het optimaal moet verzorgen. En dat ik al zo snel voelde hoe en ervoer hoe mijn kracht toenam. Mijn lichaam is in goede staat. Zo ook mijn geest. Formidabel! De eerste 12 kilometer lopen we op blote voeten, daarna trekken we onze schoenen aan.

Tussendoor pauzeren we hier en daar, eten een frietje, drinken een koffie en doen ons te goed aan watermeloen, appels en abrikozen. Om half negen arriveren we bij Jenda. Min of meer strompelend, dat wel. Dan hebben we precies dertig kilometer gelopen. Misschien iets te veel op een eerste dag, ongetraind.

Jenda vindt het fantastisch dat ze twee pelgrims te logeren heeft. Ze dompelt ons onder in luxe, liefde en enthousiasme. Ze staat haar bed aan ons af, ze kookt een lekker maaltje voor Stef, Folkert en mij. Daarna nemen we afscheid van Stef, die met de taxi terug naar Ermelo gaat. Wij besluiten wijn te gaan drinken. Het was eigenlijk de bedoeling om onze reis alcoholvrij te doen maar zoals onze vriend Jan zei: je kunt best een wijntje drinken als de gelegenheid daarom vraagt. En het einde van de eerste dag is een gelegenheid. Een paar wijn later gaan we naar bed. De volgende dag vervloeken we onszelf. We zeggen Jenda gedag en vervolgen onze weg. We strandden vijf kilometer verderop in de bossen van Leusden-Zuid. Daar is een natuurcamping. Verder komen we die dag niet.

Wil je op de hoogte blíjven van ons avonturen? Schrijf je dan in op onze nieuwsbrief.